In de binnenstad lag sinds de middeleeuwen een nonnenklooster, het Oude Convent. Tijdens de reformatie werd Weesp protestants. De rooms-katholieke Sint Laurentiuskerk was nu een gereformeerde kerk, de Grote- of Laurenskerk. Het Oude Convent moest de poorten sluiten. De kloosterzusters gaven aan het stadsbestuur de wens te kennen hun bezit over te dragen aan de "arme schamele" wezen. Aldus geschiedde en zo kwamen de huizen die tot het convent behoorden in handen van de stad.
Mensen stierven jong in die jaren. Er waren veel wezen. Ook in Weesp. We kenden al in Weesp het Sint Bartholomeus Gasthuis dat uit de 14e eeuw stamde. De leiding berustte bij de gasthuismeesters, die niet alleen het gasthuis bestuurden maar ook de belangen van wezen behartigden. Ze werden opgenomen in het Gasthuis of ondergebracht bij gezinnen. Een weeshuis was op zich niet nodig.
Toch stelt burgemeester Heynric Louff in 1610 aan de vroedschap voor om een aantal van de huizen die tot het Oude Convent behoorde tot een weeshuis in te richten. Het wordt aangenomen, wellicht omdat een weeshuis het aanzien van de stad zou verhogen. Er worden een binnenvader, een binnenmoeder en een dienstmaagd aangesteld. Er komt een ordonnantie die het jaar daarop door Johan van Oldenbarnevelt wordt ondertekend. Het bestuur bestaat uit regenten en regentessen.
Aanvankelijk nam men alleen kinderen op tot en met negen jaar; de ouders moesten ten minste twaalf jaar als poorters in Weesp gewoond hebben. De leeftijdsgrens van de wezen is in de loop der jaren opgeschoven tot tenslotte achttien jaar. Bij de opening zijn er ongeveer 10 wezen. Het aantal zal in de loop der jaren sterk variëren, met een uitschieter van 50 in 1673 als gevolg van een epidemie meegekomen met soldaten.
![]() |
|---|
| Een detail van het Kinderboeck (Archief Gereformeerd Burgerweeshuis - inv.nr. 50) |
Het weeshuis was in principe bestemd voor alle gezindten. Door de verslechterende verhouding tussen protestanten en katholieken kwam echter de nadruk steeds meer op het gereformeerde karakter van de Weesper samenleving te liggen. Het kwam zo ver dat een burgerweeshuis gereformeerd diende te zijn. De regenten gingen de naam "Gereformeerd Burgerweeshuis" gebruiken.
Met de financiën is het aanvankelijk niet goed gesteld. De vroedschap besluit daarom dat het Gasthuis een deel van zijn bezittingen, zoals landerijen, huizen en rentebrieven, aan het nieuwe weeshuis moet overdragen. Pas veel later, tegen het eind van de 18e eeuw, legt men een register van bezittingen aan. Het weeshuis blijkt dan effecten te bezitten tot een bedrag van bijna f 70.000,- en voor meer dan f 73.000,- ingeschreven te zijn in het Grootboek Nationale Schuld.
Aan het Groote Plein, tegenover het stadhuis, beschikt men rond 1800 over vier herenhuizen, die aan notabelen zijn verhuurd. Op het lager aangeschreven Kleine Plein worden drie huizen verhuurd. Dit lijkt rijkdom, maar is het niet. De rente en huren zijn nauwelijks voldoende om het weeshuis draaiende te houden. Het kreeg daarom toestemming om collectes en loterijen te houden. De effecten moesten worden verzilverd. In 1811 is de toestand zo slecht geworden dat de wezen moesten worden uitbesteed in gezinnen of opgenomen in het Armenweeshuis dat als deel van het Sint Bartholomeus Gast- en Armenweeshuis onder het stadsbestuur stond. In 1818 zijn er in het Gasthuis 4 armenwezen en 12 burgerwezen.
Het huis is nu leeg. Er komt een militair hospitaal in, later een Spinschool. In 1819 wordt het verkocht.Als instelling blijft het Burgerweeshuis bestaan, dus met een eigen administratie. Wezen kunnen een beroep blijven doen op opvoeding, verzorging en begeleiding. Het aantal blijft echter beperkt, altijd minder dan 10.
Er was inmiddels een nieuwe verordening opgesteld. Het werd nu een gemeentelijke instelling van weldadigheid. Drie door het gemeentebestuur benoemde regenten voerden het beheer. De regenten vonden het niet goed dat wezen in hetzelfde huis woonden als oude mensen, wat in het Gasthuis het geval was. Ze gingen de kinderen uitbesteden, meisjes als dienstbode bij gezinnen, jongens bij ambachtslieden om een vak te leren.Het aantal wezen nam af en daardoor werd de financiële toestand beter. Men kon en ging zich ook richten op maatschappelijke begeleiding van wezen en breidde zijn taak uit tot halfwezen. In de 20e eeuw gaat men, bij gebrek aan wezen, over tot ondersteuning van jeugdwerk, dat uitgaat van de protestants-christelijke kerken.
Wie meer of uitvoerig wil worden ingelicht over de weeshuizen en de armenzorg in Weesp in het algemeen wordt verwezen naar "Een kwestie van goed bestuur. Twee eeuwen armenzorg in Weep (1590-1822)" door dr. A.J.Zondergeld-Hamer. Uitg.Verloren, Hilversum 2006.
Laatst gewijzigd: 26/01/12