In de 18e eeuw bestonden de inkomsten van de stad voor een deel uit de opbrengst van accijnzen, een soort voorloper van de huidige btw. Goederen werden bij koop en verkoop gewogen in de Waag, die zich bevond naast de Grote Kerk. Om van het omslachtige wegen en de inning van de gelden af te zijn, werd de opbrengst van de accijnzen die in de Waag werden betaald, door de stad verpacht. In het pachtcontract werden de goederen opgesomd waarvoor accijns moest worden betaald.
| Kopie van een aquarel van Adrianus Evertsen van het Waagplein en de Grote Kerk te Weesp. |
|---|
Daarin komen we bijvoorbeeld tegen: anijszaad en katoenen garens, kaas en kastanjes, huiden, hop en honing, spek en ham, tabak en vlees, vaten boter en levende varkens. Ook bevat het pachtcontract een overzicht van de aanwezige gewichten waarvoor de pachter - die de titel waagmeester draagt - verantwoordelijk is.
In mei 1794 wordt het waagmeesterschap weer voor drie jaren verpacht. Hoogste bieder is Cornelis van Dobben voor f 320,-. Er wordt niet gemijnd. Toen en ook nu nog is het mijnen gebruik bij openbare verkopingen. Boven het hoogste bod wordt een bepaald bedrag gezet. Dit wordt trapsgewijs verlaagd. Hij die bij een bedrag "mijn" roept, is dan de eigenaar of pachter. In dit geval bleef Cornelis van Dobben dus de pachter. Hij moest nog wel twee borgen noemen. Die had hij: Jan Bellaar en Jacob van Loenen. Ze werden door de stad solide bevonden en dus geaccepteerd.
Laatst gewijzigd: 19/06/12