"Ik moet u helaas meedelen, dat zich een eminent geval van cholera heeft voorgedaan op een turfschip op de Hoogstraat bij de sluis." Aldus in 1853 een briefje van dokter Epkema aan het stadsbestuur. De schipper, afkomstig uit Bussum, had turf geladen in Overijssel. Hij was op 15 september in Muiden aangekomen en arriveerde diezelfde dag nog in Weesp. Daarna had hij drie dagen lang turf gelost bij Van Voorst.
De naam komt niet voor in het register van overlijden en we mogen dus aannemen dat hij het heeft overleefd. Dat gold niet voor veel andere cholerapatiënten. Weesp had slechte herinneringen aan deze besmettelijke ziekte. Rond het midden van de 19e eeuw stierven er jaarlijks 90 à 100 inwoners, waarvan gemiddeld zo'n 40 kinderen. In 1849 is er echter plotseling een piek van 196 sterfgevallen, waaronder 50 kinderen. Oorzaak de cholera. De kindersterfte was ook zonder cholera al hoog in die jaren. Van de 76 kinderen die in 1851 werden geboren stierven er 36 voor hun vijfde jaar.
Over de slachtoffers van de epidemie in 1849 valt in de archieven niet veel te vinden. Er is een berichtje van diezelfde dokter Epkema dat Geertje van Tiel, de weduwe Portengen en de vrouw van E.de Groot goed herstellende zijn, dat de vrouw van W.Luiten is overleden en dat de zoon van Willijns en een zoontje van W.Luiten hersteld zijn. Portengen en Willijns zijn namen die nog steeds in Weesp voorkomen. In 1854 is het weer raak. Dokter Epkema: "De cholera heeft zich hier weder geopenbaard." Al na een paar dagen komt er een brief van het Geneeskundig Toezicht in Noord-Holland over het gerucht dat in Weesp epidemische cholera zou zijn ontstaan en waarin op maatregelen wordt aangedrongen. Maar dit keer moet het zijn meegevallen want het aantal sterfgevallen in dat jaar is normaal.

Gebrek aan hygiëne was de voornaamste oorzaak van de epidemie. In dat opzicht viel er in Weesp nog wel wat te verbeteren. Een aantal jaren later - in 1869 - komt de geneeskundig inspecteur Teixeira de Mattos onaangekondigd naar Weesp. Van zijn bevindingen brengt hij in een brief aan b.en w. verslag uit. "In de Gasthuissteeg toch zag ik een allerwalgelijkste mestvaalt, die het grootste gedeelte der ruimte innam, gevormd door 7 haar omgevende, dicht opeengebouwde huisjes, waarin een twintigtal arme mensen gehuisvest is. Op een andere plaats trof ik eveneens een mestvaalt te midden van een aantal woningen. De ondragelijke stank die zij verspreidde verried reeds op enige afstand haar aanwezigheid maar al te duidelijk."
Hij wijst op het bestaan van geulen langs de straten. "Vooral in de mingegoede gedeelten en in de stegen en gangen zijn die geulen verzamelplaatsen van vuil water, rottend vuil enz., zoals in een steeg in de Middenstraat bij de Slijkstraat achter de Haan, die al het vuil uit de woningen van de Slijkstraat ontvangt zodat zij steeds met allerlei rottende zelfstandigheden is overvuld, die een vreselijke stank verspreiden". De toestand in de Gasthuissteeg speelt zich dus af naast het stadhuis. De inspecteur dringt aan op spoedig ingrijpen. Nog geen maand later besluit de raad, opgeschrikt en wakker geschud, tot het maken van riolen in de volkrijkste buurten en daarvoor een geldlening te sluiten.
Laatst gewijzigd: 07/06/11