In 1889 kreeg de burgemeester van de gemeente Hilversum, net als de burgemeesters van 180 andere gemeenten met meer dan 5000 inwoners een vragenlijst voorgelegd over de volks- en schoolbaden in hun gemeente. De vragenlijst was samengesteld door dr. W. Francken, badarts-inspecteur aan het Noordzeebad te Scheveningen, hij deed onderzoek naar de Warmwater-Badinrichtingen in Nederland.
![]() |
|
|
Badhuis aan de Bosdrift, 1921 ca. (Fotocollectie Streekarchief Gooi en Vechtstreek, collectie Publieke Werken gemeente Hilversum, inventarisnummer 2898) |
Volksbaden moesten volgens dr. Francken het lichaam grondig reinigen, gunstig op de gezondheid werken, goedkoop zijn (niet duurder dan 6 centen), gemakkelijk te bereiken en geopend zijn op alle uren van de dag. Franckens lijst aan de gemeenten bevatte de volgende vragen:
Uit de reactie van de burgemeester van Hilversum kan opgemaakt worden dat er maar weinig gebruik werd gemaakt van het ene badhuis waar vijf personen tegelijkertijd konden baden. Een bad kostte in Hilversum 40 cent en voor minder draagkrachtigen was er geen lager tarief ingesteld. En dan te bedenken dat in de gemiddelde woning rond 1900 elke was- of badgelegenheid ontbrak.
Vooral particuliere initiatieven, het stichten van bad- en zweminrichtingen, zoals die van de Nederlandsche Vereeniging voor Volks- en Schoolbaden die streed voor de verbetering van het baden, zorgden ervoor dat rond 1908 het aantal volks- en schoolbaden in Nederland ten opzichte van 1900 verdubbelde tot 25 à 30 en het aantal baden tot 400 duizend.
Hilversum had zijn eerste badhuis te danken aan de dorpsarts Van Hengel. In een gedeelte van de door Van Hengel gestichte soeploods aan de Diepenweg (nu Torenlaan), werd in 1857 een badhuis met zes baden ingericht. Het badhuis sloot in de jaren vijftig van de twintigste eeuw zijn deuren.
Op 26 oktober 1911 werd de Vereniging Volksbaden Hilversum opgericht, het doel van de vereniging was het oprichten en instandhouden van één of meer volksbadhuizen te Hilversum en het bevorderen van baden door volwassenen en kinderen. Het eerste badhuis dat de vereniging exploiteerde, was gelegen op de hoek van de Mauritsstraat en de Gasthuisstraat. Het badhuis beschikte over drie badkuipen en elf douchecellen. Al snel bleek het badhuis, door het groeiende aantal inwoners van Hilversum, te klein.
Zowel in 1912 als in 1913 werd er in Hilversum een badhuis geopend. Als eerste een badhuis opgericht door de Vereniging Overdekte Bad- en Zweminrichting Hilversum aan de Badhuislaan 15. Het gebouw doet sinds 1949 dienst als kerk van het Apostolisch Genootschap. Als tweede werd aan de Gasthuisstraat het oude ziekenhuis tot Volksbadhuis verbouwd. Dit badhuis werd in 1925 gesloopt.
Tijdens een gemeenteraadsvergadering in 1916 besloot de raad dat er twee zogenaamde volksbadhuizen moesten komen, in twee nog te bouwen arbeiderswijken. De architect W.M. Dudok was op dat moment de directeur van Openbare Werken en bovendien gemeentearchitect. De twee badhuizen werden door Dudok geïntegreerd in het door hem ontworpen 3e en 4e gemeentelijke woningbouwcomplex. Het badhuis Over ’t Spoor aan de Huygensstraat, geopend op 14 juni 1920, maakte deel uit van een blokje van tien arbeiderswoningen. De woning van de badmeester bevond zich in het poortgebouw. In 2004 werden de woningen en het badhuis afgebroken.
Het badhuis aan de Meidoornstraat, geopend op 3 december 1921, maakt een statige indruk maar sluit goed aan bij de woonwijk. Het badhuis doet nu dienst als medisch centrum.
Vanaf de jaren vijftig liep het aantal bezoekers in de badhuizen aan de Huygensstraat en Meidoornstraat terug. Dit had te maken met de zwaardere eisen die aan inrichting van de woningen werden gesteld. Zo werd er in 1951 een doucheruimte in de sociale woningbouw verplicht. En na de invoering van de Voorschriften en Wenken voor de Woningbouw van 1965 steeg het aantal woningen met een lig- of zitbad snel.
Beide badhuizen werden hierdoor overbodig en sloten in de jaren zeventig hun deuren.
Laatst gewijzigd: 07/03/11